|
|
|
|
Spinnen Spinnen is het in elkaar draaien van dierlijke of plantaardige vezels met de bedoeling er een draad van te maken. Volgens een legende zou dit ontdekt zijn door een herder. Hij draaide losse plukken wol in elkaar, verkreeg een draad en kon zo zijn takkenbossen aan elkaar binden.
SPINTOL en SPINNEWIEL De spinstok of spintol werd vroeger gebruikt om een draad te maken. Op deze manier wordt in sommige landen nog steeds gesponnen. Het gaat langzamer en is moeilijker. Het principe blijft hetzelfde. Met de stok of de tol maak je een draaiende beweging. De vezel wordt rondgedraaid en vormt een draad. Het spinnewiel komt het eerst rond de 12de eeuw, toen nog aangedreven met de hand. In de late middeleeuwen zien we spinnewielen met voetaandrijving. Er bestaan verschillende soorten spinnewielen. De meesten hebben een groot aandrijfwiel, dit maakt het trappen minder vermoeiend. Door de grote klossen kan je lang spinnen zonder steeds van klos te moeten verwisselen. Door met de voet op de trapper te duwen, gaat het aandrijfwiel draaien door middel van een aandrijfsnoer. Dit snoer laat de klos draaien. Met de wijzers van de klok mee wordt het wiel aangedreven om te spinnen. Aan de klos wordt een begindraad geknoopt. De begindraad halen we door het spingat. Bij het trappen komt alles in beweging. De begindraad wordt stevig vastgehouden met de linkerhand. Met de rechterhand houd je een uitgeplozen stuk wol (lont) tegen de begindraad. Door de draaiing wordt deze lont mee op de klos getrokken. Dit is het spinnen. Uiteraard zullen we tijdens het trappen steeds wol aanvoeren en wol ‘geven’, om een draad te kunnen vormen. Met een spanningsschroef kunnen we de spanning opdrijven of losser maken, zodat de klos sneller of trager gaat draaien. De dikte van de draad wordt gevormd door de hoeveelheid wol die je ‘aangeeft’ door het spingat Mogelijkheden
|
Laatst bijgewerkt: 30 december 2010 |